Alexandra Cool - Moments of writing - Fotomuseum Antwerpen

Alexandra Cool – Moments of writing – Fotomuseum Antwerpen

 

Wat beweegt de schrijver wanneer hij schrijft?

De vingers.

Voorts: de ogen, af en toe de benen. En zo nog het een en ander. Maar alles samen: vrij weinig. Een schrijver hoort stil te zitten en vooral zijn taalcentrum, zijn verbeelding, zijn zinsleer, kortom allerlei onzichtbaars te laten bewegen. Al is het evenzeer zo dat die laatste dingen hém bewegen.

 

Fotografe Alexandra Cool heeft een zwart doosje op schrijverstafels gezet en het licht zijn werk laten doen.

Het licht interpreteert niet. Wel kan het, blijkbaar, zien wat wij zelf, door afwezigheid, niet kunnen zien. In zo’n doosje wordt het licht een oog, dat toeziet hoe het zelf onze bewegingen zichtbaar maakt.

Licht licht licht op.

De bewegingen van een schrijver-in-actie fotograferen: het is als de bries in een bladerloze boom vereeuwigen.

Schrijven is, in de ruimte, minimal art. De meeste schrijvers staan al schrijvend niet te dansen. (Al kan de schrijver dansend natuurlijk wel op zinnen komen.) Het is stil zitten en ontvankelijk zijn. De hersenschimmen ophelderen. De hersenspinsels ontrafelen. Ademende radio-ontvangers. Van taal, van een verhaal, van signalen in de eigen ether.

 

Alexandra Cool heeft die adem en de handelingen willen registreren. In de hoop misschien dat de uiterlijke bewegingen iets vertellen over de innerlijke.

Dat is vermoedelijk een illusie: zowel Hemingway als Pessoa schreef staande – en nauwelijks schrijvers wier werk verder uit elkaar ligt. Wallace Stevens schreef vaak in de trein, tijdens zakenreizen, en Sartre schreef veel aan een cafétafel, in het openbaar.

Wat, dus, zeggen de handelingen van de schrijver over zijn specifieke werk? Weinig. Maar ze kunnen iets vertellen over zijn tijdsbesteding. Over zijn kleine motoriek. Over zijn stilte.

Over schrijverschap in het algemeen. En over de tijd en de ruimte van dat schrijverschap.

 

Zo’n zwarte doos die een tijd lang ‘open staat’ – van een half uur tot enkele uren – neemt stilstand en beweging waar. Het eerste wat opvalt aan deze foto’s: hoe meestal alles stilstaat behalve de schrijver. Doorgaans is het omgekeerd: alles beweegt, alleen de schrijver en de duiven zitten nog stil.

Dat is de eerste verrassing van deze foto’s: de schrijver zit helemaal niet stil. ‘Stil’ is een beweeglijk begrip. Vergeleken met de dingen die hem omringen – de computer, zijn papieren, de muren, het raam, de lamp, een occasionele bloem – is hij een woelwater. Sommigen bewegen meer dan anderen. Hoe schimmiger hun beeld, hoe meer ze hebben bewogen. De enen blijken toch wel bijna stil te hebben gezeten, anderen hebben zo veel bewogen dat ze aan het licht ontsnapt zijn: van hun beeltenis blijft amper iets over.

 

Daarin schuilt de tweede verrassing van deze foto’s. Hoe meer de schrijver heeft bewogen, hoe onzichtbaarder hij wordt. Terwijl we toch leven in tijden waarin we zo druk mogelijk bewegen om vooral zichtbaar te blijven.

Soms blijft van de schrijver een witte vlek over, soms is hij een ‘bewogen foto’, soms niets. Samengevat wordt hij/zij in deze belichting een schim. Zittend, schrijvend en onvermijdelijk bewegend, wordt de schrijver hier een fantoom. Een aanwezigheid die vervaagt, in wisselende mate oplost en aleens verdwijnt.

 

Verdwijnt hij terwille van zijn tekst? De gedachte is verleidelijk: de schrijver als tijdelijk medium. Naarmate de tekst ontstaat, lost de schrijver zelf op. Hij zit er maar bij als een geleider. Als cocon voor de vlinder.

Dat is de derde verrassing: wat zien we, eigenlijk? De simpele speling van het licht om een mens die schrijft in een kamer. Meer is het niet. Toch willen we méér zien. De bewogenheid achter de bewegingen. Wat er ‘speelt’ in het hoofd. Hoe het in de schrijver toegaat, onder zijn triviale gestiek.

 

Tussen dat uiterlijke en innerlijke houden deze foto’s zich op. Ze suggereren de verschijningsvorm van iets onzichtbaars. Vooral, lijkt me, drukken ze het verlangen uit om het raadsel, het onkenbare toch enigszins in beeld te brengen.

Dat is een uitgesproken romantisch verlangen. En in haar verlangen om het onzichtbare te vernemen, zit de fotografe – via haar zwarte doosje – uiteindelijk te kijken naar niets minder dan: de tijd.

De ervaring is mij bekend: zelden ben ik me zo bewust van de tijd als tijdens het schrijven. Dat wil zeggen, tijdens het naar buiten of naar het scherm staren, het dwangmatige roken, het opnieuw inspecteren van de vingernagels, het schijnbaar doelloze en onbestemde van dat alles.

Hoe vaak niet bespookt me dan het gevoel: wat zit ik hier toch te doen, terwijl de uren om mij heen voorbijwaaien als een bries om een somber standbeeld?

In deze foto’s lopen die uren vaak dwars door de schrijvers, als een rilling, terwijl de rest onbewogen blijft. De tijd lijkt hier in de eerste plaats de mens te zoeken, daarna pas de dingen. In die zin verbeelden deze foto’s de obsessie/fascinatie van zowat alle schrijvers: zowel de lokroep als het schrikbeeld van de tijd. Terwijl de schrijver schrijft tegen de tijd, schrijft de tijd tegen hem.

 

Die spanning is hier voelbaar. Ook al weten we dat deze beelden rust en concentratie laten zien, ze vertonen gelijk een vreemd soort haast. De minimale, gebruikelijke handelingen van de schrijvers krijgen een onverwachte urgentie. In het kalme, ingetogene van de omstandigheden heerst een zekere nervositeit.

Er woont een licht onheil in deze foto’s.

Wat bezielt deze vreemde schimmen? Wat betekenen hun schijnbewegingen in die donkere kamer? Ze verkeren in een staat tussen aan-en afwezigheid. Hun verschijningsvorm is haast akelig – en doet soms denken aan zogezegde foto’s van geesten, of aan bepaalde schilderijen van Francis Bacon.

 

Hoe het zij, deze fotografe heeft, met niets dan een zwart doosje als een langzaam oog op werktafels, veelkantige protretten gemaakt: portretten van schrijvers, van het schrijven, van het schrijverschap, van schrijfkamers en zelfs van de tijd. Ze heeft er ook haar tijd voor genomen: met veel geduld, door de uren en het licht zelf te laten spreken is zij iets genaderd dat moeilijk precies te benoemen valt: is het de tijd van de schrijvers of het schrijven van de tijd? Het is beide en het is beide tegelijk, in één wonderlijk dubbelzinnige beweging, en net díe beweging dat maakt deze foto’s zo intrigerend en ontroerend.

 

Bernard Dewulf.